Microsoft account
Intro Microsoft 365
Word
EXCEL
Teams
OneNote

De basisprincipes van formules

Formules in Excel beginnen altijd met een gelijkteken (=). Daarna volgt de berekening, die je kunt opbouwen met verschillende operatoren en waarden.

De belangrijkste operatoren:

  • Optellen (+): Tel twee of meer getallen bij elkaar op.
  • Aftrekken (-): Trek een getal af van een ander getal.
  • Vermenigvuldigen (*): Vermenigvuldig twee getallen met elkaar.
  • Delen (/): Deel een getal door een ander getal.
  • Machtsverheffen (^): Verhef een getal tot een bepaalde macht.

Waarden in formules:

  • Getallen: 1, 2, 3, 100, 5,75.
  • Celverwijzingen: A1, B2, C3. Dit verwijst naar de waarde in de cel met die coördinaten.
  • Tekst: “Jan”, “Bakker”, “Factuur 123”.

Een eenvoudige formule:

Stel dat je in cel A1 het getal 10 hebt staan en in cel B1 het getal 5. In cel C1 wil je de som van deze twee getallen berekenen. Je typt dan de volgende formule in cel C1: =A1+B1

 

De rekenvolgorde:

Excel hanteert een vaste rekenvolgorde bij het uitvoeren van berekeningen in formules. Deze volgorde is:

  1. Haakjes: Bereken eerst de waarden tussen haakjes.
  2. Machtsverheffen: Vervolgens worden machten berekend.
  3. Vermenigvuldiging en deling: Daarna worden vermenigvuldigingen en delingen van links naar rechts uitgevoerd.
  4. Optellen en aftrekken: Tot slot worden optellingen en aftrekkingen van links naar rechts uitgevoerd.