Variabelen

Variabelen

In het vorige hoofdstuk zagen we dat er verschillende soorten datatypes bestaan. Deze types hebben we nodig om variabelen aan te maken. De data die we in een programma gebruiken bewaren we namelijk in een variabele van een bepaald type. Een variabele is een plekje in het geheugen dat in je programma zal gereserveerd worden om daarin data te bewaren van het type dat je aan de variabele hebt toegekend. Een variabele zal intern een geheugenadres hebben (waar de data in het geheugen staat) maar dat zou lastig programmeren zijn indien je steeds dit adres moet gebruiken. Daarom moeten we ook steeds een naam oftewel identifier aan de variabele geven zodat we makkelijk de geheugenplek kunnen aanduiden.

De naam (identifier) van de variabele moet voldoen aan de identifier regels uit het vorige hoofdstuk.

Variabelen aanmaken en gebruiken

Om een variabele te maken moeten we deze declareren, door een type en naam te geven. Vanaf dan zal de computer een hoeveelheid geheugen voor je reserveren waar de inhoud van deze variabele in kan bewaard worden. Hiervoor dien je minstens op te geven:

  1. Het datatype (bv intdouble).
  2. Een identifier zodat de variabele uniek kan geïdentificeerd worden (volgens de naamgevingsregel van C#).
  3. (optioneel) Een beginwaarde die de variabele krijgt bij het aanmaken ervan.

Een variabele declaratie heeft als syntax:

datatype identifier;

Bijvoorbeeld: int leeftijd;


Je mag ook meerdere variabelen van het zelfde datatype in 1 enkele declaratie aanmaken door deze met komma’s te scheiden:

datatype identifier1, identifier2, identifier3;

Bijvoorbeeld string voornaam, achternaam, adres;

Indien je reeds weet wat de beginwaarde moet zijn van de variabele dan mag je de variabele ook reeds deze waarde toekennen bij het aanmaken:

int mijnLeeftijd = 37;

Waarden toekennen aan variabelen

Vanaf dit punt kunnen we dus ten allen tijde deze variabele gebruiken om een waarde aan toe te kennen, de bestaande waarde te overschrijven, of de waarde te gebruiken, zoals:

  • Waarde toekennen: mijnGetal= 15;Toekenning gebeurt steeds van rechts naar links: het deel rechts van het gelijkheidsteken wordt toegewezen aan het deel links er van.
  • Waarde tonen op scherm: Console.WriteLine(mijnGetal);

Met de toekennings-operator (=) kan je een waarde toekennen aan een variabele. Hierbij kan je zowel een literal toekennen oftewel het resultaat van een expressie.

Je kan natuurlijk ook een waarde uit een variabele uitlezen en toewijzen aan een andere variabele:

int eenAndereLeeftijd = mijnLeeftijd;

Literal toewijzen

Literals zijn expliciet ingevoerde waarden in je code. Als je in je code expliciet de waarde 4 wilt toekennen aan een variabele dan is het getal 4 in je code een zogenaamde literal. Wanneer we echter data bijvoorbeeld eerst uitlezen of berekenen (via bijvoorbeeld invoer van de gebruiker of als resultaat van een berekening) en het resultaat hiervan toekennen aan een variabele dan is dit geen literal.

Voorbeelden van een literal toekennen:

int temperatuurGisteren = 20;
int temperatuurVandaag = 25;

Het is belangrijk dat het type van de literal overeenstemt met dat van de variabele waaraan je deze zal toewijzen. Een string-literal (zie verder) stel je voor door aanhalingstekens. Volgende code zal dan ook een compiler-fout generen, daar je een string-literal aan een int-variabele wil toewijzen, en vice versa.

string eenTekst;
int eenGetal;

eenTekst = 4;
eenGetal = "4";

Als je bovenstaande probeert te compileren dan krijg je volgende error-boodschappen:

Literal bepaald het datatype

De manier waarop je een literal schrijft in je code zal bepalen wat het datatype van de literal is:

  • Gehele getallen worden standaard als int beschouwd, vb: 125.
  • Kommagetallen (met punt .) worden standaard als double beschouwd, vb: 12.5.
  • Via een suffix na het getal kan je aangeven als het om andere types gaat:
    • U of u voor uint, vb: 125U.
    • L of l voor long, vb: 125L.
    • UL of ul voor ulong, vb: 125ul.
    • F of f voor float, vb: 12.5f.
    • M of m voor decimal, vb: 12.5M.
  • Voor bool (zie verder) is dit enkel true of false.
  • Voor char (zie verder) wordt dit aangeduid met een enkele apostrof voor en na de literal, vb: 'q'.
  • Voor string (zie verder) wordt dit aangeduid met aanhalingsteken voor en na de literal, vb: "pikachu".

De overige types sbyteshort en ushort hebben geen literal aanduiding. Er wordt vanuit gegaan wanneer je een literal probeert toe te wijzen aan een van deze types dat dit zonder problemen zal gaan (ze worden impliciet geconverteerd).

Hexadecimale en binaire notatie

Je kan ook hexadecimale notatie (starten met 0x of 0X) gebruiken wanneer je bijvoorbeeld met int of byte werkt:

int myAge= 0x0024;
byte myByteValue = 0x00C9;

Ook binaire notatie (starten met 0b of 0B) kan:

int myAge= 0b00010110001101000010‬; //Vanaf C# 7.2 mag je ook schrijven: 0b0001_0110_0011_0100_0010
byte myByteValue =  0b‭00100100‬9;

Nieuwe waarden overschrijven oude waarden

Wanneer je een reeds gedeclareerde variabele een nieuwe waarde toekent dan zal de oude waarde in die variabele onherroepelijk verloren zijn. Probeer dus altijd goed op te letten of je de oude waarde nog nodig hebt of niet. Wil je de oude waarde ook nog bewaren dan zal je een nieuwe, extra variabele moeten aanmaken en daarin de nieuwe waarde moeten bewaren:

int temperatuurGisteren = 20;
temperatuurGisteren = 25;

In dit voorbeeld zal er dus voor gezorgd worden dat de oude waarde van temperatuurGisteren, 20, overschreven zal worden met 25.

Volgende code toont hoe je bijvoorbeeld eerst de vorige waarde kunt bewaren en dan overschrijven:

int temperatuurGisteren= 20;
//Doe vanalles
//...
//1 dag later
int temperatuurEerGisteren= temperatuurGisteren; //Vorige temperatuur in eergisteren bewaren
temperatuurGisteren = 25; //temperatuur nu overschrijven

We hebben dus aan het einde van het programma zowel de temperatuur van eergisteren, 20, als die van vandaag, 25.